De oplopende olieprijzen zetten de inflatie in de eurozone opnieuw onder druk. Nu brandstof aan de pomp recordniveaus bereikt en de gevechten in het Midden-Oosten voortduren, groeit het risico dat energie niet alleen duurder blijft voor consumenten, maar ook doorwerkt in vrijwel de hele economie. Voor de Europese Centrale Bank ontstaat daarmee een lastige afweging. Voor Nederlandse ondernemers betekent dit vooral hogere kosten, meer onzekerheid en minder ruimte om prijzen onbeperkt door te berekenen.
Dure olie werkt verder door dan aan de pomp
Olie is een grondstof met een brede economische impact. Hogere prijzen raken automobilisten direct via benzine en diesel, maar de gevolgen gaan verder. Transportbedrijven betalen meer voor brandstof, producenten krijgen te maken met duurdere logistiek en energie-intensieve ondernemingen zien hun kostprijs oplopen. Ook olieproducten zoals plastics, verpakkingen en bepaalde chemische grondstoffen kunnen duurder worden.
Bedrijven staan vervolgens voor een moeilijke keuze. Zij kunnen hogere kosten deels absorberen, wat de winstmarge aantast. Of zij berekenen die door aan klanten, waardoor de prijzen van goederen en diensten oplopen. Juist dat tweede effect is belangrijk voor de inflatie. Een olieprijsschok kan zo veranderen van een tijdelijk probleem op de energiemarkt in een bredere stijging van het prijspeil.
De inflatie in de eurozone is volgens de bron inmiddels opgelopen tot het hoogste niveau in drie jaar. De precieze verdere impact hangt sterk af van de duur van de spanningen in het Midden-Oosten, de ontwikkeling van de olieaanvoer en de mate waarin ondernemingen kosten kunnen doorberekenen.
Waarom de ECB niet alleen naar energie kijkt
Voor de ECB is een hogere olieprijs op zichzelf niet automatisch reden om de rente te verhogen. Centrale banken weten dat energieprijzen sterk kunnen schommelen en dat een tijdelijke prijsstijging ook weer kan wegvallen. De kernvraag is daarom of duurdere energie leidt tot aanhoudend hogere inflatie in de rest van de economie.
Dat risico ontstaat wanneer lonen, dienstenprijzen en producentenprijzen blijven oplopen. Werknemers kunnen compensatie vragen voor hogere kosten van levensonderhoud. Ondernemers kunnen prijsverhogingen vaker doorvoeren. Daardoor kan de zogenoemde kerninflatie hardnekkiger worden, ook wanneer de olieprijs later stabiliseert.
De ECB moet daarbij balanceren tussen twee risico’s. Te snel rente verlagen kan de inflatieverwachtingen opnieuw aanwakkeren. De rente te lang hoog houden kan investeringen, woningbouw en consumptie juist afremmen. Meer achtergrond over de taak en het monetair beleid vindt u bij de Europese Centrale Bank.
Herhaling van 2021 en 2022 is niet vanzelfsprekend
De vergelijking met de eerdere inflatiegolf ligt voor de hand. In 2021 en 2022 liep de inflatie op tot 10 procent, mede door fors hogere energieprijzen. Toch is de huidige situatie niet één op één vergelijkbaar. De economische omstandigheden, voorraden, vraag en het beleid van overheden en centrale banken kunnen verschillen.
Wel toont die periode hoe snel energieprijzen het sentiment kunnen veranderen. Consumenten worden voorzichtiger, bedrijven stellen investeringen uit en beleggers rekenen op een hogere rente of een tragere economische groei. Vooral cyclische aandelen, vastgoed en bedrijven met hoge financieringskosten kunnen dan gevoeliger zijn voor tegenvallers.
Wat Nederlandse ondernemers nu merken
- Transport, logistiek en bouw krijgen sneller te maken met hogere directe kosten.
- Retail, horeca en maakindustrie kunnen last krijgen van duurdere inkoop en terughoudende consumenten.
- Ondernemers met vaste verkoopprijzen hebben minder ruimte om kostenstijgingen op te vangen.
- Hogere of langer hoge rentes maken financiering en investeringen minder aantrekkelijk.
Voor ondernemers is het daarom verstandig om niet alleen naar de brandstofrekening te kijken, maar naar de volledige keten van inkoop, transport, prijzen en financiering. Voor beleggers blijft vooral relevant of de olieprijs tijdelijk hoog blijft of langdurig in de inflatiecijfers doordringt. Dat onderscheid bepaalt mede hoeveel ruimte de ECB krijgt om de rente te verlagen en hoe kwetsbaar bedrijfswinsten in Europa worden.
